Vietnam #6

Ik lig weer, ditmaal in een lokale stads- en slaapbus van Ho Chi Minh naar Ben Tre. Hoe zuidelijker, hoe minder vriendelijk de mensen zeggen ze over Vietnam. Ik ervaar meer dat de bereidheid om te helpen minder groot is. Het is meer een niveau van ‘red je Nederlandse witte kont’ en niet ‘wat kan ik doen om uw leven te verlichten’. We liggen in een bus waarvan we hopen dat hij ons in de richting van Ben Tre brengt. De chauffeur spreekt vloeiend Vietnamees en that’s it. Met Google translate zijn we nu zover dat hij ons seint als we eruit moeten. Waar? Don’t know. Feit blijft dat we niet in de goede bus zitten. Nu proberen wakker te blijven. Ik zet mijn stoel iets rechter, anders word ik wakker en rijden we kort voor de grens met Cambodja. De laatste dagen Dalat zijn voorbijgevlogen. We zijn een dag langer gebleven, en hebben Mui Ne geskipt. Soms is het reizen zo lang dat je minder tijd hebt om te genieten. Door een flexibel maandrooster kunnen we ‘gaan en staan’ waar we willen. Terug naar Dalat. The City That Never Sleeps, The Windy City of de Lichtstad, zomaar een aantal bijnamen van steden wereldwijd. Dalat, onze bestemming van de laatste 3 nachten mag zich gerust de naam ‘City of Flowers’ toe-eigenen. Een binnenstad met een oud, grauw en typische Vietnamees centrum met daaromheen veel kleur van de bloemen. Een stad waar ik mij thuis voelde. OK, het is geen Hoi An, maar dat is zoiets als een Ferrari Enzo vergelijken met een Suzuki Alto.

De reis naar Dalat was in tweeën gesplitst. Een vliegreis van Da Nang naar Ho Chi Minh en een vliegreis van Ho Chi Minh naar Dalat. Je raad het al, beide vertraging, zonder aanwijsbare reden. De piloten zijn alles behalve Aziatisch. We treffen Britten, Spanjaarden en Fransozen. Over de vliegkunsten kan ik kort zijn, de ene zorgt voor een soepele landing zoals mijn Swiss Sense matras, de ander geeft mij het gevoel dat we uit de lucht geschoten worden. Het valt op dat de Vietnamezen zich nooit druk maken. Respect, kon ik maar een greintje van deze eigenschap overnemen. Ze gaan rustig zitten met hun kroost en genieten al smakkende- en slurpende van een maaltijd. Ik las tussen de bedrijven door dat het ‘slurpen’ een bewijs is dat ze genieten en respect naar de chefkok. Iets van een fatsoensnorm. Ik adem diep in en fluister zachtjes in eigen oor ‘kijk met je hart Tim’. Enfin, de chauffeur van Hoi An naar vliegveld Da Nang was door ons hotel geregeld. Fijn, want ze willen alles voor je regelen in dit land, weliswaar tegen een kleine vergoeding. De chauffeur, een Vietnamees van middelbare leeftijd, zette zijn Terminator 2 zonnebril op en reed ons on-Vietnamees, zonder gebruik van claxon, richting het vliegveld van Da Nang. Frappant is, in heel Vietnam, dat iedereen snel doorschakelt. Een milieubewust oogmerk? Vast niet. Taxichauffeurs schakelen bij 40 al door naar de 4de versnelling waardoor de auto, een Kia Picanto, geen kracht meer heeft om 8% omhoog te gaan. Auto’s slaan regelmatig af of er moet op het laatst nog geschakeld worden. En dan de uiterlijke kenmerken van onze chauffeur: zijn linkerhand werd gesierd door een in het oog springende lange nagel aan zijn pink. Het oogt een beetje eng, onverzorgd en met een Dr. No van Austin Powers gehalte. Volgens de Vietnamese cultuur betekent het hebben van deze nagel dat je schoonheid en rijkdom bezit maar het is ook handig voor neuspeuteren en oorpulken. Een spirituele- en een lugubere kant dus. Ook heeft hij een grote, bolle moedervlek op zijn wang met daaruit krullend, lang haar. Met lang bedoel ik zeker 10-15 centimeter. Het is bijna zicht beperkend. Waarom dit modieuze grapje er hangt, weet ik nu nog altijd niet. De beste man kon het niet uitleggen in de door mij aangedragen talen Engels, Nederlands, Duits of Leeuwarders. Het is een trend, want ik tref meer mannen in Vietnam met dit harige pareltje in het gezicht. Ach, wie weet komt het in Nederland nog wel in, en zijn ze hier trendsetters. En misschien zal hij wel over mij gedacht hebben: ‘wat is die vent rood juh’ of ‘waarom heeft hij niks in zijn haar gedaan?’. You never know.

Geland op Dalat treffen we een Nederlandse familie woonachtig in Thailand. Omdat onze hotels op 40 minuten rijden liggen besluiten we een taxi te splitten. Dit was voor ons kaaskoppen duidelijk maar voor alles wat Dalat een warm hart toedraagt niet. Een ware koehandel ontpopte zich omtrent de reis richting de grote stad. Geloof mij, er stonden 25 taxichauffeurs klaar en te onderhandelen in naar het schijnt de Engelse taal. Uiteindelijk voor het astronomische bedrag van 9,78€ konden de stoelenriemen vast en de tocht naar Villa Terrasse des Roses beginnen. Nouja, gordels waren er wel, maar weggestopt en niet nodig volgens de chauffeur. Ik veer graag mee met de Vietnamese cultuur, haal mijn schouders op, knik en stap snel in. 38 minuten later arriveren wij in onze ‘villa’ in Dalat. Hoezo backpackers? Ach, villa klinkt poepie chiq maar feitelijk is het een groot huis met kamers, een klein tweepersoonsbed en een badkamer. De tuin, om de villa heen, is beeldschoon. Elke ochtend is er vanaf 07:00 uur een tuinman bezig het optisch te fatsoeneren. Zittende bij de ontbijttafel, knagend aan een omelet, hebben we zicht op strakke rozenstruiken luisterend naar een oude cd van Whitney Houston. Wat heb je nog meer nodig op een zonnige ochtend? De koffie is sterk, heel sterk. De koffie gaat er oraal in, en komt er rectaal luttele minuten later uit, zo sterk dus. Sounds familiar?

Dalat ligt hoog in de bergen en heeft een ander klimaat dan bijvoorbeeld Hoi An. Waar we met 35 graden vertrokken, kwamen we met 17 graden binnen. Geen probleem, avonds kan dan de modieuze afritsbroek aan. Een 3 voor het oog maar een 10 voor het comfort en het gemak. We lopen elke dag een paar kilometer. Dit moet wel, want je kan hier zoveel lekkers krijgen. Alles lacht ons aan en bevat veel ‘durong’ oftewel suiker. Een taxirit is, net als in heel Vietnam, spotgoedkoop. Het starttarief is 0,29€ en voor een rit van 40 kilometer betalen we, na een messcherp onderhandelen, nog geen 10 euro. Via onze ‘villa’ komen we aan een local met een voertuig welke ons de hotspots van het platteland gaat showen. Een leuke ervaring, vooral de koffieplantage met wezels. Een korte rondleiding en opvallend veel wezels. Op een koffieplantage? En toen viel het kwartje: de wezel eet de koffieboon op, kakt deze uit en vervolgens wordt er koffie van gemaakt. De finishing touch is dat ik het dan opdrink. Ach, let’s give it a try. Eindoordeel? Best lekker, geen poepsmaak- of geur alleen de vreemde gedachte denkende aan het productieproces. Later hebben we nog een prachtige, oude tempel bezocht en een gigantische waterval. Merkwaardig was dat er zowel op de gebouwen als op Boeddhabeelden grote hakenkruisen waren geposteerd. Gelijk werden we door een local herinnert aan een oorlog rond 1940-1945. ‘You still hate the fucking Germans, right?’ Ik persoonlijk niet als kleinzoon van een Duitse oma en verwend met een Duitse stiefmoeder. Een zoekslag in de boeken leverde de wijsheid op dat de hakenkruizen in Azië ‘swastika’ zijn, en de betekenis van de 4 windstreken heeft. Dit dateert al van 2500 voor Christus. De NSDAP hees in 1920 de vlag met daarop het bekende ‘hakenkruis’. Geen algemeen basiskennis, althans niet bij mij.

De tweede dag hebben we een kabelbaan gecharterd en zijn we de bergen ingegaan. Even weg van de drukte en, achteraf, vol het toerisme in. Het toerisme bestond uit bussen vol Chinezen allemaal gewapend met een selfiestick en een Nikon spiegelreflexcamera. Elke boom, elk beekje en alle stenen mochten getrotseerd worden met een selfie en een gewone foto. Maar om de kerk in het midden te houden, ik ben ook niet vies van een selfie of meervoud selfies maar dit was tot het irritante toe. Ook de woorden ‘omgevingssensitief’ en ‘persoonlijke ruimte’ komen niet in de Chinese Dikke van Dale voor want ze gaan pontificaal voor- of naast je staan. Na een uurtje zijn we wel klaar met watervallen en Chinezen. En dan laat Stefanie haar oog vallen op een groot parcours tussen de bomen op hoogte. Ik voel de bui al hangen, kut. Klim- en klautervragend kijken Stefanie haar ogen hoopvol naar mij maar zonder enige ‘moeten’ hoor. Moeten is namelijk van een ander, willen is van jezelf. Relationele druk of niet, ik ga mee, ik wil mee. Eerst oefenen met een ervaren Tarzan. Ik voel mij ongemakkelijk, en maak ook wat kleine foutjes. Ik probeer dit te verbloemen met een glimlach of een loos praatje. Ik zie instructeur Tarzan meerdere malen met zijn ogen draaien. Althans, het kan ook dat het zo voelt. ‘Weer zo’n lange boerenpummel die denkt het allemaal wel te kunnen’. Je hebt 6 levels, van licht- tot zware oefeningen waar groen simpel is en zwart zoiets als beklimmen van de Mount Everest. Stefanie gaat op mijn verzoek eerst, zo kan ik afkijken hoe het moet. Stefanie bungelt, klimt, hangt en glijdt als een Orang Oetang door de bomen heen. De eerste 3 opdrachten kom ik vlekkeloos door, maar ik zit wel tegen een lepeltje jus in de broek aan van de spanning. Liefdevol en goed bedoeld schreeuwt Stefanie wanneer ze een oefening gedaan heeft hoe het moet. Couple goals 2.0 met een gouden randje. Stefanie is leidend en in charge vandaag, met de nadruk op het laatste woord voor de komma. In de uitleg voor aanvang over de ‘veiligheid’ werd vertelt dat er ‘altijd iemand in de buurt is om op je te letten’. Tja, op 300 meter onder een parasol is Vietnamees dichtbij. Maar dan is Leeuwarden ook ‘dichtbij’. In de 110 minuten daarna groei ik, Adriaan, in mijn rol als acrobaat. Het gaat, voor een 89 kilo zware stijve hark met de draaicirkel van een stadsbus en weinig flexibiliteit best ok. Wie had dat gedacht? Vlak voor het einde, bij moeilijkheidsgraad zwart, begint het zwaar te onweren. In de verte, tussen de bergen, regent het al. Nog voor we beneden zijn, drupt het ook bij ons en onderweg naar de kabelbaan, terug de bewoonde wereld in, krijgen we een tropische storm op ons hoofd. Gelukkig valt er meer naast ons dan op ons maar in luttele seconden zijn we zeiknat. Door hevige windstoten en onweer mogen we niet in de kabelbaan en moeten we een half uur wachten. Het uitzicht, over de bergen, is prachtig. Een grote walm van mist hangt over de stad en je ziet het 360 graden regenen. Dat van die mist oogde zoals de film ‘The Fog’ van John Carpenter uit de vroege jaren 90. In de film trekt er een grote, dichte mist door een stad heen. De film is- en eindigt bloederig, dit warm en zonnig. Een wezenlijk verschil. Eenmaal beneden zijn we nat tot in de slip. We houden snel een taxi staande en laten ons richting de ‘villa’ brengen. De backpack mag weer ingepakt worden voor de reis richting de Mekon Delta, eerst richting Ben Tre en later Can Tho. Temperatuur? 37 op papier, 45 graden voor het gevoel.

Dag 19, nog 11 te gaan.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.